Magnetische geluidsregistratie

Ontwikkeling van de magnetische geluidsregistratie

Door: Dick van Deelen

Al in 1898 lukte het de Deense uitvinder Paulsen om een stuk ijzerdraad zodanig te magnetiseren dat de magnetisatie veranderde met het geluidssignaal.

Hij maakte het eerste apparaat met een stalen snaar op een spoel gewikkeld waar een opname en weergave mee mogelijk was, het heette de ‘Telegraphon’.

Toen eenmaal de electronenbuis was uitgevonden kon de kwaliteit van de opname verbeterd worden.
Door de uitvinding in 1927 van W.L. Carlson die i.p.v. gelijkstroom, hoogfrequent wisselstroom voor de “voormagnetisatie” (bias) van de opnamekop toepaste, waardoor de ruis verminderde en de geluidskwaliteit aanmerkelijk verbeterde. Deze uitvinding wordt nog steeds toegepast in de huidige bandrecorders. Vanaf 1927 werd de wire recorder gebruikt als dicteer-apparaat. Een belangrijke verbetering was de komst van papieren- en later de kunststofband met een oxide laag gemaakt door BASF en door AEG toegepast in de eerste “Magnetophon” in 1939. Deze methode werd gedurende de oorlog geheim gehouden. Door AEG werd een magnetophon type C “Ton S.E. (A)jja” in 1940 gemaakt voor het leger.

Na 1945 beleefde de wire recorder nog even een opleving (band was er niet) door de firma AMROH die in 1948 de “Wiramphone” uitbracht. Uit Chicago VS kwam de Webster dictafoon (1950) ook een wire recorder. Het omleggen van de staaldraad gaf echter nogal wat practische problemen. In 1953 bracht AMROH de zeer populaire bandrecorder Handysound (fl. 298,00) uit met een bandsnelheid van 19 cm per/sec. Een nieuwigheid was de zgn. halfspoorkop die de helft van de band gebruikte waardoor “dubbelspoor” mogelijk werd. Daarna kwam de dunnere “langspeelband”, de speelduur werd daardoor verhoogd. Er kwamen zelfs ‘tripleplay’ banden. In het begin werd gebruik gemaakt van 1 synchroon motor. Door middel van tussenwielen of snaren kon langs mechanische weg vooruit of achteruit gespoeld worden, een aandrukrol (pinch rol) drukte de band tegen de aandrijfas.

Door de komst van de transistor, de band kwaliteit en mechanische verbetering kwam de bandrecorder op een hoog niveau door fabrikanten als Revox en Tandberg, Grundig, Philips en door Sony en Akai in Japan. Zelfbouw was er ook nog veel in die tijd, o.a. de ‘Petrovox’. Vooral door de “stereo” werd de band of taperecorder steeds populairder. De “tape-recorder” was superieur en het frequentie gebied liep wel tot 20 Khz. lage ruis en goede “gelijkloop”, drie motoren en electronische sturing.

Door een Engelse fabrikant DOLBY (1966) werd een ruis-onderdrukkingssysteem ontwikkeld dat een belangrijk kwaliteitsverbetering impuls was voor de “compactcassette” ontwikkeld door PHILIPS.

In 1968 was er heel kort het zgn. “8-track” systeem uit de VS die bestond uit voor opgenomen muziek (8 sporen) in een cassette. In 1972 is er een gedigitaliseerde audiorecorder uitgebracht door DENON.

Omdat Philips de uitvinder van de “compactcassette”
in 1963 een licentie met de belangrijkste japanse fabrikanten afsloot kon deze in de hele wereld geproduceerd worden wat tot een grote populariteit leidde, wat lang zo is gebleven ondanks de komst van de “Compact Disc”. In 1976 werd door SONY en TEAC de “Elkaset” uitgebracht in een iets grotere cassette met een bandsnelheid van 9,5 cm p/cm. Ondanks de perfecte kwaliteit werd het geen succes.

Door alle verbeteringen in kwaliteit van de compact cassette liep de belangstelling voor de bandrecorder terug.