Fabrieksradio’s van 1920 tot 1960

Fabrieksradio’s in Nederland van 1920 tot 1960.

Door: Dick van Deelen.

Het begon met een inductiespoel van Rhumkorf die door de Tesla werd gebruikt om er een ‘vonkengenerator’ van te maken. Hij liet vonken overspringen door de ‘lucht’ dat op zich al heel iets bijzonders was.
Het was de eerste vonkenzender, alleen realiseerde hij zich dat toen nog niet.
Later heeft deze spoel als ‘bobine’ toepassing in de auto-industrie gevonden.
In Duitsland was Henrich Hertz al in 1888 bezig om met een Rhumkorff inductiespoel als vonkzender door de lucht een elektromagnetische trilling over te brengen.
Er ontstond een klein vonkje tussen twee polen op een afstand van twaalf meter.
Sinds die tijd is in Duitsland de term “Funk” o.a. Funkgerat, Rundfunk en de Funkausstellung nog steeds in gebruik. Merkwaardig omdat juist Duitsland al in 1903 voorstelde om voortaan de term Radio te gebruiken. In Italië was Marconi (geb. 25-4-1874) omstreeks 1896 al bezig met allerlei experimenten.
Marconi had het geld en de tijd om zich van allerlei ontwikkelingen op de hoogte te stellen.
Hij kon zich de aanschaf van allerlei apparaten veroorloven daar hij de zoon was van een rijke Italiaanse markies. (zijn moeder was overigens Iers)
Zijn grootste verdienste is geweest dat hij alle ontdekkingen die al gedaan waren, bij elkaar bracht.
Zo was al bekend dat een glazen buisje gevuld met ijzervijlsel de elektrische weerstand veranderde als er een elektrische ontlading door heenging. Een “Coherer” werd dat onderdeel genoemd.

In Rusland had Popov al in 1895 een ontvangtoestel met een Coherer gedemonstreerd in St. Petersburg die hij gebruikte als waarschuwingsapparaat voor naderend onweer.
Wellicht was Marconi daarvan op de hoogte door een artikel in het Russisch Journaal van 1896.
Marconi slaagde erin van de diverse onderdelen een werkend geheel te maken en wel zodanig dat als er een ‘signaal’ in morseseinen uitgezonden werd, hij dit ‘signaal’ over enige afstand kon ontvangen via een antenne die hij aan de coherer verbonden had.
Via een relais werd het morseseinsignaal op het papierlint van de morseschrijver vastgelegd. Het ijzervijlsel bleef echter voortdurend geleiden daarom gebruikte hij een elektromagnetische klopper om de coherer door elkaar te schudden.
Zo lukte hem uiteindelijk met behulp van de morseseinen een leesbaar bericht over te brengen.

De vraag wie nu de radio heeft uitgevonden zal in Rusland Popov en in het Westen Marconi zijn.
Een feit is dat Marconi het patent op zijn vinding verwierf op 2 juli 1897 en dat hij op 27 maart 1899 het Kanaal overbrugde met zijn systeem.
Toch wordt in Rusland nog steeds 7 mei officieel gevierd (sinds 1945) als de ‘Radiodag’ omdat Popov op 7 mei 1895 zijn vinding demonstreerde.
Marconi lukte het ook de autoriteiten in Engeland te overtuigen om zijn vinding te gebruiken voor draadloze telegrafie voor schepen.
Overigens had Marconi zijn vinding al eerder in Italië gedemonstreerd maar de autoriteiten daar zagen niets in ‘draadloze telefonie’, er werd geen patent op verleend. Vandaar dat Marconi in Engeland terechtkwam. Hij had zijn uitvinding in een afgesloten doos gestopt toen hij in Engeland aankwam. De douane weigerde deze “black box” met “gegevens” in te klaren.
De term “zwarte doos” is later o.a. gebruikt in de vliegtuig industrie.

In Nederland ging men niet in zee met de Marconi Company maar met Telefunken voor Scheveningen Radio en met de Franse ingenieur Ducretet die samen met Popov een succesvol zendsysteem hadden bedacht. Uitgetest op de nieuwe Eifeltoren die overgebleven was van de wereldtentoonstelling van 1898. Ducetet toonde aan dat de Eifeltoren uitstekend te gebruiken was als zendmast. Dit voorkwam dat de toren werd afgebroken, hij kreeg dankzij de radio een andere bestemming. Ducretet leverde in 1902 in Nederland voor het Lichtschip ‘Maas’ de draadloze verbinding die tot 1912 in gebruik is geweest.

Van Radio zoals we die nu kennen was nog geen sprake. De techniek werd gebruikt voor toepassing op schepen waar op dat moment de meeste behoefte aan was. Bovendien was er in Nederland een ‘luisterverbod’ tijdens de eerste wereldoorlog van 1914-1918.
Radioamateurs luisterden toch naar de morseseinen hoewel er bijna geen telegrafiezenders waren.
Aan radiotelefonie en zeker aan het uitzenden van muziek en spraak werd toen zelfs niet gedacht. Bovendien was de telefoontechniek volop in ontwikkeling in die tijd. Maar dat veranderde snel door de pioniers op radiogebied in Nederland die als eerste in de wereld begon met uitzenden van muziek en het gesproken woord.

Zijn naam is Henricus Schotanus Steringa Idzerda
(geb. 26-9-1885) die in 1919 een radiotelefonie station met de naam PCGG bouwde en op
5 november in dat jaar al begon met diverse proefuitzendingen. Aan de hand van een advertentie in de Nieuwe Rotterdamse Courant is vastgelegd dat hij eigenlijk de eerste radio pionier was in het Westerse Continent.

Zijn zender heeft tot 11 november 1924 gewerkt en is momenteel in het bezit van het museum voor Beeld en geluid te Hilversum.

In Duitsland en Engeland begon men pas in 1922 met uitzendingen. Eerder in 1920 waren in de Verenigde Staten al verschillende zenders actief. Idzerda begon met het uitzenden van ‘levende muziek’ of hij draaide een plaat via zijn ‘aangepaste’ Pathe grammofoon. Idzerda bracht voor het eerst ‘amusement’ op de radio, dat was iets geheel nieuws.
Daarom werd de radio snel populair bij grote groepen luisteraars. De uitzending was op donderdag en zondagavond vanuit zijn ‘studio’ in de Beukstraat 8-10 in Den Haag. Daar had hij ook zijn fabriek van radio ontvangsttoestellen gevestigd met de naam Nederlandse Radio Industrie. Op het dak stonden hoge antennes, één zelfs naar de schoorsteen van de firma Rademakers – van de hopjes – aan de Laan van Meerdervoort.

 

In samenwerking met Philips verkocht Idzerda de eerste Nederlandse radiolamp voor ƒ 12,50. Dit was voor Philips de eerste keer dat zij een radiolamp produceerde. Het was een triode versterkerlamp die aanvankelijk werd gemaakt door de metaaldraad lampenfabriek Holland in Utrecht. Omdat deze fabriek gloeilampen maakte kreeg deze lamp dit merkwaardige uiterlijk met de twee mignonfittingen aan weerszijde. De ‘IDZ lamp’ werd hij genoemd toen hij door Philips werd gemaakt.
In het Rotterdams Radio Museum is een genummerd exemplaar aanwezig. Helaas verliep de samenwerking met Philips niet zo goed en de inkomsten uit verkoop van de veel te dure radio-ontvangers viel tegen. De NVVR heeft nog een omroepfonds opgericht in 1922 waarvan luisteraars vrijwillig konden bijdragen, helaas kwam er weinig binnen. Alleen uit Engeland kreeg hij £ 750,- van Engelse luisteraars die de zender daar ook ontvingen, na een oproep in de Daily Mail. Na 4 jaar was het kapitaal van ƒ 40.000,- helaas verdwenen en ging zijn bedrijf failliet.

Maar … in 1944 stortte een Duitse V1 raket neer in de duinen van Den Haag.
De heer Idzerda wandelde daar en heeft waarschijnlijk, heel nieuwsgierig zoals hij was, enkele technische onderdelen bekeken. Hij werd daar echter aangetroffen door een Duitse patrouille en zonder vorm van proces 2 dagen later gefusilleerd op de Waalsdorper vlakte. In 1969 is een klein gedenkbeeld onthuld in zijn geboortedorp Weidum in Friesland (gemeente Baarderadeel) n.a.v. 50 jaar omroep in Nederland.

In juli van 1923 was men in Hilversum al begonnen met uitzendingen via een zendvergunning, verkregen door de Nederlandse Sein Toestellen Fabriek (NSF). Twee grote stalen zendmasten had men gratis van Philips gekregen om het koopkrachtige publiek van het Gooi mee te bereiken waarschijnlijk. Die zendmast in Hilversum bleek later van Cruciaal belang voor de vestiging van de omroepen in Nederland.
De Hilversumse Draad Omroep (HDO) waar Willem Vogt werkte ging daarvoor een ‘omroep programma’ maken. Voor ƒ 50,- kon men lid worden. Als bewijs kreeg men het diploma ‘Luistervink’. Later in 1928 richtte hij de AVRO op. Andere omroepverenigingen waren al eerder vanaf 1923 opgericht. Omdat er nu weer een zender bij was gekomen werd het mogelijk voor Philips om nu veel grotere aantallen toestellen te produceren. Het type 2501 ‘Het Roggebroodje’ werd dan ook in 1928 voor het eerst aan de ‘lopende band’ gemaakt, waarvan er gelijk duizenden van werden verkocht voor de prijs vanaf ƒ 175,-. De meeste radiotoestellen hadden een bijnaam in die tijd.

De omroepen gingen vanaf 1928 amateurs helpen (in eigen belang) met het zelf bouwen van radiotoestellen. De AVRO met de Aladijn (1928) de Vox en het Kassandra toestel uit 1931 voor
ƒ 76,- excl. lampen. De VARA met het toestel Vara-dyne uit 1929 voor ƒ 65,-
(zie afbeelding)

De KRO bracht in 1934 het ‘Kabouter’ toestel uit en later een wereldontvanger, vooral speciaal bedoeld voor missionarissen.
De simpele kristalontvanger werd ook in grote aantallen door amateurs in elkaar geknutseld. Velen herinneren zich nog het gepruts met de kristaldetector.

De publieke omroepen hebben zich sinds 1923 allemaal gevestigd in een aantal fraaie villa’s in Hilversum en ze zijn er nooit meer weg gegaan. Luisteraars in het buitenland dachten zelfs dat Hilversum de hoofdstad van Nederland was omdat deze naam later op de stationsschaal stond.
Toen de Olympische Spelen in 1928 in Nederland werden georganiseerd stapten buitenlanders in Hilversum uit de trein in de veronderstelling in de hoofdstad gearriveerd te zijn.
In de rest van Europa hadden de regeringen er namelijk voor gezorgd dat de ‘staatszenders’ in de diverse hoofdsteden gevestigd werden. Daarmee werd de radio gelijk een propagandamiddel wat ook later bleek.

Er kwamen meer radiofabrieken bij o.a. die van der Heem en Bloemsma in Den Haag die vanaf 1926 toestellen ging produceren. Door een opdracht van 309 toestellen door de Rotterdamse firma R.S. Stokvis kon de productie beginnen. De initialen RS van Stokvis zorgde ervoor dat het merk ERRES geboren werd. Soms in samenwerking met Philips maar meestal in opdracht van Stokvis werden vanaf die tijd toestellen onder die naam geproduceerd.
De radio ontvangst techniek was in het begin nog van een rechtuit type d.w.z. dat alle afstemkringen achter elkaar geschakeld zijn, ze werden daarom ook wel ‘cascade ontvangers’ genoemd.
Om op een zender af te stemmen moest dat heel precies gebeuren op het randje van genereren. Vaak ging de hele afstemkring ‘genereren’. Als de buren ook met dit ‘afstemmen’ bezig waren ontstond al gauw het beruchte ‘Mexicaanse hond’ geluid – een soort gejank – uit de luidspreker. Maar ook dat veranderde snel door de komst van de Super – heterodyne ontvanger omstreeks 1930. De rechtuit ontvangers (met die mooie honingraat spoelen) werden zelfs in 1934 officieel verboden en zijn nu nog te vinden in o.a. het Rotterdams Radio Museum.

De ‘Super’, zoals voortaan genoemd, was eenvoudig door iedereen te bedienen met maar één knop voor de afstemming op de zender. (het “Roggebroodje” rechts)
Er was een oplossing gekomen voor de ‘gelijkloop’ van de antenne en de oscillator kring.
Bovendien waren door Philips nieuwe meerroosterlampen ontwikkeld die de twee signalen konden ‘mengen’ tot een middenfrequent signaal. De verkoop en belangstelling voor de radio groeide enorm ondanks de crisistijd die toen net uitbrak.
Rond 1930 had 1 op de 15 gezinnen al een radio in huis.