Het ontstaan van de Nederlandse radio

Door: Dick van Deelen

De geschiedenis van de radio.

De radio geschiedenis gaat ver terug, namelijk tot het begin van de jaren twintig. De Nederlandse Seintoestellen Fabriek (NSF) in Hilversum moet in deze tijd zoeken naar een ander afzetgebied voor zijn zendapparatuur. Om het voortbestaan van de fabriek te waarborgen, besluit men een zender te bouwen die zou kunnen dienen om muziekprogramma’s naar belangstellende luisteraars uit te zenden. Ook moest er een organisatie worden opgezet, die de programma’s zou gaan verzorgen. Willem Voght, medewerker van de NSF, richt dan de Hilversumsche Draadloze Omroep (later de AVRO) op.
Om precies te zijn begint de geschiedenis van de Nederlandse omroep op donderdag 6 november 1919, om exact 8 uur ’s avonds. Dan gaat het eerste Nederlandse omroeppro-gramma de ether in. In de tien daarop volgende jaren groeit de radio uit tot een volwassen medium en wordt de basis gelegd voor dat typisch Nederlandse, verzuilde publieke bestel zoals we dat nu nog steeds kennen. De ontwikkeling van het omroepbestel en de komst van televisie (met in het begin drie uur uitzending per week!) zijn een verhaal apart. ‘Pension Hommeles’, ‘Open het Dorp’ en de eerste buitenlandse series; Nederland 3, de Mediawet en de komst van commerciële Nederlandse omroep ‘via de achterdeur’: de geschiedenis van de Nederlandse omroep kan allerminst saai worden genoemd.
Het eerste omroepprogramma in ons land wordt uitgezonden op donderdagavond 6 november 1919, tussen acht en elf uur ’s avonds.
De dag ervóór is de uitzending aangekondigd in een advertentie in de Nieuwe Rotterdamsche Courant: het zou een ‘Soirée-Musicale’ worden, verzorgd door het ‘Radio-Telefonie Zendstation der Nederlandsche Radio Industrie’. De allereerste plaat die door de Nederlandse ether schalt, is de parademars ‘Turf in je ransel’, gevolgd door liederen als ‘Ave Maria’ en ‘Een meisje dat men nooit vergeet’ van Koos Speenhoff.

Radio-communicatie in de Eerste Wereldoorlog.

Daar Nederland in de periode 1914-1918 niet betrokken was bij de Eerste Wereldoorlog, was de behoefte aan radio-communicatie-apparatuur niet zo groot als in de betrokken landen. Toch bleven ze op het Ministerie van Defensie alert op de nieuwe ontwikkelingen op dit gebied. Toen een Duits watervliegtuig in de buurt van Kampen een noodlanding moest maken en verongelukte waren snel de militaire autoriteiten aanwezig om de in het vliegtuig aanwezige radio- apparatuur te bekijken. Daar vonden ze een Telefunken radiolamp EVN 94.
De fabricage van de eerste Nederlandse radiolamp Op 15 november 1917 brachten luitenant Tolk en marine-officier Dubois deze radiolamp mee naar de metaaldraad-gloeilampenfabriek ‘Holland’ te Utrecht en gaven de bedrijfsleider K.M.E. Schuurman opdracht in het geheim deze radiolamp na te maken volgens dezelfde elektrische karakteristiek. De werknemers ir. F.B.A. Prinsen en glasblazer/lampdeskundige Hendrik Schmitz werden met dit project belast. Het lukte hun al op 19 november 1917 de eerste Nederlandse laagvacuüm radiolamp te maken. Doordat de nikkel anode en rooster nog restgas bevatten was het vacuüm van deze lamp onvoldoende. Direct daarop ging men op zoek naar verbeteringen: men gaf de nikkel elektroden (anode en stuurrooster) een speciale temperatuursbehandeling zodat het restgas verdween, de gloeidraad werd van zinkoxyde-draad gemaakt, men gebruikte molybdeen aansluitdraden en sloot deze luchtdicht af met schellak en door het toepassen van een Langmuir kwikdamppomp ontstond op 22 november 1917 de eerste Nederlandse hoogvacuüm radiolamp.
De ‘Marconi-lamp’, Hendrik Schmitz sprak altijd van de ‘Marconi-lamp’, omdat de vorm identiek is aan de Marconi-lamp type V24, die al in 1916 in gebruik was bij de Engelse Marconi Mij.

De ‘Audion’

Toen de eerste Nederlandse hoogvacuüm radiolamp gereed was en uitgebreid getest door de legerautoriteiten, waarbij de directeur dr. Egidius van de fabriek ‘Holland’ en dr. Koomans van de PTT als getuige aanwezig waren, volgde een order van 26 stuks door het Ministerie van Defensie. Deze radiolampen waren op 1 jan. 1918 gereed voor aflevering. Tegen de jaarwisseling 1917/1918 was de algemeen bekende ‘Holland’-radiolamp met cilindervormige anode en aan beide kanten een Edison schroeffitting gereed om toegepast te worden. Deze radiolamp werd ook wel ‘AUDION’ genoemd.

De ‘Philips-Ideezet’ radiolamp.

De grote omroep-pionier Idzerda maakte in het voorjaar van 1918 in samenwerking met N.V. Philips gloeilampenfabrieken te Eindhoven de zgn, ‘Philips-Ideezet’ radiolamp. De elementaire structuur is gelijk aan die van de ‘AUDION’. De anode bestaat echter uit twee tegenover elkaar liggende plaatjes (zie nr. 3 op foto) In de beginjaren twintig kwamen diverse merken radiolampen op de markt die zo veel licht gaven dat je de krant er bij kon lezen. Deze lampen werden ‘helgloeiers’ genoemd. (merk: Heussen, 2e helft 1922).

De grote pionier Idzerda (1885-1944)

De pionier van de radio-omroep, zowel in Nederland als in de gehele wereld, is Hanso Henricus Schotanus á Steringa Idzerda, zoon van een plattelandsarts in Weidum Fr. Idzerda werd op 3 november 1944 ten onrechte verdacht van spionage en gefusilleerd door de Duitse bezetter. Idzerda was radiotechnicus, directeur van een radiofabriek, programmasamensteller, propagandist, zenderbouwer, omroeper en zenderexploitant. Hij werkte onder de volgende namen: 1914-1919 Technisch Bureau Wireless 1919-1924 Nederlandsche Radio Industrie 1925-1935 N.V. Idzerda Radio

De eerste radio-uitzending.

De eerste radio-uitzending waarbij spraak en muziek werd uitgezonden was op 6 november 1919. Deze uitzending werd door Idzerda verzorgd vanuit de Beukstraat 8-10 te ’s Gravenhage. Zijn programma werd aangekondigd op 5 november 1919 in de Nieuwe Rotterdamsche Courant als “Radio Soirée Musicale”. Het liedje dat het eerste werd uitgezonden was “Turf in je ransel”. De roepnaam van Idzerda was PCGG. Idzerda verzorgde tot 11 november 1924 regelmatig uitzendingen vanuit de Beukstraat in Den Haag.

De Philips-Ideezet radiolamp.

Rond 1918 heeft Idzerda met zijn radiofabriek en op te richten zendstation grote behoefte aan radiolampen, die het kristal kunnen vervangen. Hij zoekt toenadering bij Philips die gespecialiseerd zijn in de fabricage van gloeilampen. Hoewel Gerard Philips weinig ziet in de opdracht om radiolampen te gaan maken vindt hij het toch aardig om te doen en gaat akkoord met de fabricage van 180 radiolampen. De “Ideezet” en “Iduret” radiolampen worden geleverd. De eerste type Philips-Ideezet lamp was een laag-vacuüm type, de gloeispanning is max. 4 Volt, de gloeistroom is 0,25 A en de anodespanning is 25 Volt. De verkoop van de lamp verliep goed. Na de eerste order van 180 stuks had Idzerda reeds tegen het einde van 1918 2000 stuks verkocht. Radioamateurs werden ook belangrijke klanten. Omroep bedrijven Fabrikanten van radiotoestellen, zoals Idzerda, begrijpen dat radiotelefonie de verkoop van radio’s aan particulieren aanzienlijk zou kunnen vergroten. De Nederlander komt echter als eerste op het idee om regelmatig programma’s te maken. Na enkele experimenten zendt hij op die zesde november 1919 dat unieke eerste omroep-programma uit. Een historische gebeurtenis, want waarschijnlijk als eerste ter wereld bedrijft Idzerda daarmee omroep. ‘Omroep bedrijven’ houdt namelijk in dat het programma van te voren wordt aangekondigd zodat iedereen erop kan afstemmen.

Amerika.

In Amerika gingen pas in 1920 radiostations regelmatig en vooraf aangekondigd uitzenden.
Eind 1922 volgden Duitsland en Engeland, waar in dat jaar de BBC wordt opgericht. Spraakmakende concerten In november 1921 krijgt Idzerda een nieuwe zendvergunning, nu niet voor ‘proefnemingen’, maar voor geregelde uitzendingen met muziek en gesproken woord. Vier keer per week zendt hij uit. Zijn programma’s worden tot in Engeland beluisterd. Ongevraagd krijgt hij geld, grammofoonplaten en zelfs cake toegestuurd. Een tijd lang wordt hij gesponsord door het dagblad Daily Mail, in ruil waarvoor Idzerda ook Engelstalige uitzendingen verzorgt. Hij laat een speciale kabelverbinding aanleggen tussen de ‘studio’ in de Beukstraat en het Scheveningse Kurhaus. De Kurhausconcerten die hij uitzendt zijn in Londen op straten en pleinen te horen via grote luidsprekers. Deze spraakmakende concertuitzendingen zouden zelfs mede de aanzet zijn geweest tot de oprichting van de BBC.

Dure liefhebberij.

Radiomaken is in die tijd een dure liefhebberij. Regelmatig moet Idzerda een beroep doen op de goedgeefsheid van de luisteraars onder de leuze: “Toont uw goeden wil, anders wordt de aether stil.” Het mag uiteindelijk niet baten. In 1924 gaat Idzerda, na vijf jaar radio maken, failliet. Inmiddels hebben andere radiofabrikanten het idee van Idzerda gevolgd. Op 21 juli 1923 heeft ook de Nederlandsche Seintoestellen Fabriek (NSF) in Hilversum een zendvergunning gekregen. Vanaf die datum begint de door de NSF opgerichte ‘Hilversumsche Draadloze Omroep’, de HDO, regelmatig uit te zenden. Een van de beheerders van de zender, Willem Vogt, wordt de chef verkoop van de seintoestellenfabriek.

Philips eerste radio-ontvanger.

Dit was het type: 2501, bouwjaar 1927-’28 Bijnaam: “het Roggebroodje” Verkoopprijs toen: ƒ 175,-. Principeschema: 3-lamps rechtuit radio-ontvanger volgens “Koomans” Gloeispanning: C142 – 1 V~, F215 – 2,5 V~, D143 – 1 V~ en 2504 1 V~ Anode- en detectorspanning van PSA: resp. 60 V en 120 V Aantal gefabriceerd: plm. 70.000 bij NSF te Hilversum Benodigdheden gehele ontvangstinstallatie: de radio-ontvanger 2501, de bakelieten schaalluidspreker en het technisch uitziend PSA 372 met gelijkrichtlamp 373 Beschrijving: Het toestel bevat vaste ingebouwde spoelen, die het mogelijk maken m.b.v. een omschakelaar op drie golfgebieden in te stellen, n.l. van 200-400 m, van 300-600 m en van 1000-2000 m. De voeding van de gloeidraden, zowel als de negatieve roosterspanning, worden door aansluiting op het lichtnet verkregen. Het toestel heeft n.l. een ingebouwde wisselstroomvoeding 2503 die de gloeispanning levert voor de lampen en tevens m.b.v. de kleine enkelfase gelijkrichtlamp 2504 met bajonet fitting de negatieve roosterspanning voor de eindlamp en voor de h.f. lamp C142 verzorgt. Bij toepassing van het PSA 372 die de detector- en anodespanning resp. +B1 en +B2 levert kan de anodebatterij vervallen. Voor h.f. versterking is gebruik gemaakt van de C142, voor detectie van de F215. De detector wordt gevolgd door één trap l.f. versterking met Philips l.f.-transformator. De eindlamp is een D143. Het gebruik van deze speciale lampen, alsmede de doelmatige bouw van het apparaat heeft ten gevolge dat de geluidssterkte van dit 3-lamps toestel gelijk staat met die van een 4-lamps toestel in die tijd. Bovendien stoort het apparaat in genererende toestand de ontvangst in de omgeving praktisch niet. Het gebruik van het toonfilter 4004 in de luidspreker heeft een gunstig effect op de klank van de luidspreker. Het geluid is minder schel en klinkt warmer.
Bediening: De bediening van het apparaat is zeer eenvoudig. Er zijn slechts 2 afstemcondensatoren, een regelknop voor de terugkoppeling en bovendien nog een sterkteregeling. De stand van de afstemcondensatoren kunnen zeer gemakkelijk worden afgelezen en op een bij die tijd bij elk toestel gevoegde afstemkaart genoteerd worden. Elke zender kan dan, wanneer hij eens gevonden is, zonder moeite ogenblikkelijk weer worden ingesteld.

Philips radio’s met de volgende bijnamen.

“de Lentebode”, Type 634A, Bouwjaar 1933-’34, Verkoopprijs toen ƒ 220,-.
“de Kathedraal”, Type 636A, Bouwjaar 1933-’34, Verkoopprijs toen ƒ 285,-.
“het Arbeiderskastje”, vanwege de lage aanschafprijs: Type 836A, Bouwjaar 1934-’35, Verkoopprijs toen ƒ 98,-.
“het Paasei” of “de Ham”, Type 834A, Bouwjaar 1933-’34, Verkoopprijs toen ƒ 142,50.
“de Broodtrommel”, Type 2531, Bouwjaar 1930, Verkoopprijs toen ƒ 195,-.
“het Puntje”, “de Puntmuts” of “het Kapelletje”, Type 932A, Bouwjaar 1931, Verkoopprijs toen ƒ 159,50.
“het Philips Vlaggeschip”, Type 990X, Bouwjaar 1940, Verkoopprijs toen ƒ 385,-. Een geavanceerd toestel met motorafstemming en Korte Golf banden met bandspreiding.
De verenigingen Het Nederlandse omroepbestel, is uniek in zijn veelzijdigheid.
Op dit moment zijn er 35 zendgemachtigden die landelijk uitzenden. De basis voor dit pluriforme systeem wordt meteen al in de jaren twintig gelegd. Willem Vogts ‘Hilversumsche Draadloze Omroep’ (HDO) is een zuiver commercieel opgezet bedrijf en zendt dan ook een ‘algemeen programma’ uit waar niemand zich aan kan storen. Al snel willen ook groepen met een bepaalde levensovertuiging het nieuwe medium gebruiken om hun stem te laten horen. De verzuiling, een typisch fenomeen in de Nederlandse maatschappij, krijgt zo ook gestalte in het omroepbestel.

Verzuiling.

In het najaar van 1924 beginnen de protestanten een eigen omroep, de Nederlandsche Christelijke Radio Vereeniging. Het bestuur van de NCRV huurt voor 3000 gulden per jaar één avond zendtijd per week bij de NSF om godsdienstige uitzendingen te verzorgen. De katholieken kunnen dan ook niet achter blijven en zij richten de Katholieke Radio Omroep op. De KRO, overigens als enige geen vereniging maar een stichting, huurt de dinsdagavond van de HDO. In november 1925 beginnen de uitzendingen. Nog diezelfde maand volgen de socialisten met de Vereeniging Arbeiders Radio Amateurs, de VARA, die op zaterdagavond gaat uitzenden. De Centrale Commissie voor het Vrijzinnig Protestantisme richt in 1926 de VPRO op, de Vrijzinnig Protestantse Radio Omroep. De vrijzinnigen zijn vanaf het begin af aan bescheiden in hun wensen; zij willen geen hele uitzendavond, maar alleen af en toe een religieus programma uitzenden. Willem Vogt, de drijvende kracht achter de HDO, probeert deze verenigingen in te lijven bij zijn organisatie. Hem staat één nationale omroep voor ogen, waarin alle maatschappelijke stromingen zijn vertegenwoordigd. De poging mislukt doordat de groeperingen, op de VPRO na, teveel aan hun eigen stem hechten. De KRO en de NCRV laten zelfs een eigen zender bouwen in Huizen en zetten van daar uit hun programma’s voort. De zendtijd die vrij komt op de Hilversumse zender valt weer toe aan de HDO, die in 1928, na een fusie met een beginnende algemene omroep, een andere naam gaat voeren, de Algemeene Vereeniging Radio Omroep AVRO.

Bemoeienis regering.

In 1930 gaat de regering zich nadrukkelijk met de omroep bemoeien. De minister van Waterstaat, onder wie radio als verkeersmiddel valt, vaardigt het eerste Zendtijdenbesluit uit. De zendtijd wordt in vijven opgedeeld. NCRV en KRO houden hun aandeel in de Huizense zender. AVRO en VARA blijven in Hilversum en krijgen ieder evenveel zendtijd. De VPRO krijgt een vastgesteld aantal uren op de Hilversumse zender. Vanaf dat moment wordt er binnen Nederland per week al zo’n 40 tot 50 uur radio uitgezonden op de twee zenders. Het Zendtijdenbesluit legt meer dingen vast. Zo mag er geen reclame gemaakt worden op de radio, om te voorkomen dat de uitzendingen afhankelijk worden van commerciële belangen. Financiële middelen Luistergeld bestaat nog niet, dus de omroepen zijn voor hun inkomsten helemaal afhankelijk van hun leden. Rond 1930 hebben de meeste omroepverenigingen al meer dan 100.000 leden, die lidmaatschapsgeld betalen en daarnaast vaak dubbeltjes en kwartjes deponeren in de collectebusjes van de omroepen. Van dat geld worden de radiostudio’s gebouwd en kunnen de reportagewagens worden aangeschaft. Want zoals iedere omroep dan al zijn eigen radiogids heeft, zo moet ook iedere omroep zijn eigen radiostudio en zijn eigen reportagewagens hebben. Het omroepbestel heeft zijn vorm gekregen.

Oorlog en wederopbouw.

In mei 1940 wordt Nederland door de Duitsers bezet. In het begin mogen de radio-omroepen nog enigszins hun eigen gang gaan, zij het met restricties. Zo worden alle programma’s van te voren gecensureerd. Verschillende omroepbesturen komen de bezetter een eind tegemoet, in de hoop hun organisatie in stand te kunnen houden. Oude verlangens naar één nationale omroep leven weer op. Vooral in het begin van de bezetting denken sommigen in Hilversum dat dit ideaal onder het Duitse gezag wordt verwezenlijkt.

Rijksradio omroep.

Op 9 maart 1941 worden de omroepen ontbonden. Ervoor in de plaats komt de Rijksradio Omroep, later de Nederlandsche Omroep genoemd. De belangrijkste functies worden bezet door NSB’ers en nazi’s. Personeel en bezittingen van de verenigingen worden overgenomen door de propagandazender. De nieuwe omroep wordt gefinancierd uit de luisterbijdragen, een systeem dat door de Duitsers is ingevoerd, al is de maatregel voor de oorlog al voorbereid door de laatste democratische Nederlandse regering. Iedere radiobezitter moet negen gulden per jaar betalen. De propagandazender wordt geen succes. De mensen luisteren liever naar de zenders van de geallieerde legers en naar Radio Oranje, de Nederlandse zender in Londen. In 1943 worden daarom alle radiotoestellen verbeurd verklaard en in beslag genomen. De actie lijkt op het eerste gezicht een succes, omdat alle toestellen met de invoering van het luistergeld zijn geregistreerd. Veel mensen leveren echter een oud toestel in en houden hun goede ontvanger achter. Bovendien bouwen tienduizenden Nederlanders met primitieve middelen hun eigen ontvangertje. Op de meest vernuftige plaatsen worden de toestellen ingebouwd, zodat men kan blijven luisteren naar de uitzendingen van de geallieerde zenders en, natuurlijk, naar Radio Oranje.

Radio Oranje.

Radio Oranje begint haar uitzendingen op 28 juli 1940 vanuit Londen met een toespraak van koningin Wilhelmina. Het station krijgt per dag vijftien minuten zendtijd van de BBC. Begin 1941 start de Regeringsvoorlichtingsdienst, weer samen met de BBC, met mensen van de Vrij- Nederland-groep een andere zender, De Brandaris. Dit station is vooral gericht op zeevarenden, maar wordt al snel ook in Nederland heel populair omdat de uitzendingen veel minder formeel zijn dan die van Radio Oranje. Eind 1942 fuseren de twee stations. De naam blijft Radio Oranje. Het nieuwe station wordt geleid door de oud-Telegraaf correspondent Henk van den Broek. Twee bekende medewerkers zijn de journalist en latere professor Lou de Jong en de schrijver A. den Doolaard.

Een nationale omroep.

Terwijl de omroepverenigingen ontbonden zijn en Nederland het moet doen met eerst een kwartier, en later een half uur Nederlandse radio per dag, borrelen in Londen weer de ideeën op voor één Nederlandse omroep. Door de bezetting is er een nieuw nationaal gevoel gekweekt waarvan men verwacht dat het na de oorlog zal blijven bestaan. Even lijkt de verzuiling zijn tijd gehad te hebben. Op 3 oktober 1944 begint Radio Herrijzend Nederland, ‘de zender op vrije vaderlandse grond’ met het uitzenden van programma’s vanuit het inmiddels al bevrijde Eindhoven. De zender is, nog tijdens de bezetting in het geheim gebouwd door Philips. Het is weer de inderhaast overgevlogen van den Broek die de leiding krijgt.

‘Herrijzend Nederland’.

Op 18 september 1944 werd Eindhoven al bevrijd. Bij Philips hadden ze tijdens de oorlog in het geheim onder leiding van de verzetsman Gehrels een radiozender gebouwd met de bedoeling direct met uitzendingen uit bevrijd gebied te beginnen. Op 3 oktober 1944 begint men met uitzendingen vanuit Eindhoven. De zender begint met de woorden: ‘Hier is Herrijzend Nederland, de zender op vrije Nederlandse bodem, …..’. De omroeper is Van den Broek, voormalig Radio Oranje medewerker, gevlucht vanuit Engeland via België en naar Eindhoven gekomen. De taak van de zender ‘Herrijzend Nederland’ is de mensen in het bevrijde Zuiden van het juiste nieuws te voorzien en de mensen boven de grote rivieren in het nog bezette Nederland, voor hen kwam pas de bevrijding in mei 1945, moed in te spreken en hopen op een spoedige bevrijding. Voor het Westen van Nederland kwam nog de verschrikkelijke ‘hongerwinter’. De zender ‘Herrijzend Nederland’ is gebleven tot januari 1946, daarna werden de uitzendingen weer vanuit Hilversum verzorgd. Op de foto is op de schaal van de kleine bakelieten radio, merk Philips met het type 208U de naam ‘Herrijzend Nederland’ te vinden. Dit toestel is erg geliefd bij de radioverzamelaars.

Na de bevrijding.

Als Nederland helemaal bevrijd is wordt de Stichting Radio Nederland in Overgangstijd opgericht, die de uitzendingen van Radio Herrijzend Nederland over moet gaan nemen. In deze stichting moeten de Londense ideeën voor één nationale omroep worden gerealiseerd. Binnen Radio Nederland in Overgangstijd, waarin ook de vertegenwoordigers van de oude omroepen zitting hebben, ontstaat echter al snel een heftige strijd. De omroepen sturen aan op herstel van de situatie van voor de oorlog. Na veel soebatten en een regeringswisseling waarbij de behoudende KVP meer invloed krijgt, geeft de minister van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen (die de omroep overneemt van de minister van Waterstaat) in 1947 dan ook de verantwoordelijkheid voor de uitzendingen aan de omroeporganisaties terug. De regering stelt één voorwaarde: de omroepen moeten gaan samenwerken.

Samenwerking tussen omroepen.

Een eerste prille vorm van samenwerking ontstaat al halverwege de jaren dertig in het Centraal Bureau voor de Omroep. Nog tijdens de bezetting, in mei ’44, worden de banden verstevigd door de oprichting van de Federatie van Omroepverenigingen. De Londense plannen voor één nationale omroep zijn daar bepaald niet vreemd aan. Op aandrang van de regering resulteert deze samenwerking in 1947 in de oprichting van de Nederlandse Radio Unie NRU. De NRU beheert vanaf dat moment de facilitaire voorzieningen zoals de radiostudio’s die de afzonderlijke omroepverenigingen hebben gebouwd, de technische uitrusting en de reportagemiddelen, de platenverzamelingen, kortom alles wat gemeenschappelijk te gebruiken is. Ook de omroeporkesten, het omroepkoor en de hoorspelkern worden onder het beheer van de NRU gebracht. De luisterbijdrage blijft gehandhaafd. Uit die gelden wordt vanaf dat moment de hele omroep, inclusief de regionale omroepen en de Wereldomroep, bekostigd. Regionale omroepen De regionale omroepen ontstaan in de wederopbouwtijd. Radio Herrijzend Nederland kan niet in het hele land ontvangen worden en krijgt daarom steunzenders. Nog voor het einde van 1945 worden via deze steunzenders ook eigen regionale programma’s gebracht. Zo krijgt Nederland zijn twee eerste regionale omroepen: in Limburg de ROZ en in het noorden de RON. Dezelfde mensen die de motor waren achter Radio Oranje en Radio Herrijzend Nederland zetten de Wereldomroep op. Al op 24 mei 1945 zijn zij met een ‘Wereldprogramma’ begonnen. De uitzendingen komen uit Eindhoven en worden door de BBC-zender in Londen opgepikt en over de hele wereld verspreid. In de herfst van 1946 krijgt Van den Broek de opdracht een Wereldomoep zoals we die nu kennen op te bouwen. Op 15 april 1947 begint de Stichting Radio Nederland Wereldomroep met haar uitzendingen.

Meer samenwerking.

Er komt meer en meer samenwerking tussen de binnenlandse omroepen. Al sinds de jaren dertig worden de nieuwsuitzendingen namens de gezamenlijke omroepen verzorgd (eerst door persbureau Vaz Diaz, later door het ANP). Nu gaan ook waterstanden en beursberichten en reportages over grote evenementen (zoals bijvoorbeeld de verjaardagen van het koninklijk huis) als gezamenlijk programma de ether in. Bij de watersnoodramp in 1953 sturen NCRV, VARA en KRO en later ook de AVRO gezamenlijk reportageploegen. Het is het begin van de samenwerking zoals we die nu nog steeds kennen.

Glorietijd radio.

In de wederopbouwtijd komt de radio tot grote bloei. In 1945 telt Nederland zo’n 300.000 toestellen, in 1949 is dat aantal al opgelopen tot 1.337.000. De omroepverenigingen richten zich minder sterk op de eigen doelgroep en meer op het grote publiek. De programma’s worden steeds korter en populairder: meer familieprogramma’s en muziek, minder toespraken. ’s Avonds zitten hele gezinnen rond het toestel geschaard om te luisteren naar de avonturen van detective Paul Vlaanderen, ‘de familie Doorsnee’, ‘Showboat’, ‘Negen Heit de Klok’ of muziek van het dansorkest The Ramblers. De omroepen groeien dan ook snel. Schommelt het aantal leden van de meeste omroepen in 1947 nog rond de honderdduizend, dertien jaar later, in 1960, hebben de grote omroepen al tussen de vier- en vijfhonderdduizend leden. Maar dan heeft de televisie al lang haar intrede gedaan. Een nieuw medium dat nog veel populairder zal worden en de positie van de radio geheel zal veranderen.