Het Radio verhaal en meer

Door: Dick van Deelen

In 1888 is door Hertz aangetoond dat elektromagnetische golven zich door de lucht (via de aether) kunnen verplaatsen.

In ons land begon Ir. Steringinga Idzerda in 1919 al met de eerste radio uitzendingen van uit de Jaarbeurs in Utrecht.
Later (1921) via de door hem opgerichte firma de Nederlandse Radio Industrie in de Beukstraat in Den Haag.
Deze pionier verzorgde de eerste uitzendingen zelfs toen al vanuit het Kurhaus in Scheveningen.
Hij maakte op dat adres ook radio’s en verkocht die. Hij had zelfs een eigen studio en wekte zelf de benodigde energie op met generatoren.
Het is dan ook niet verwonderlijk dat deze pionier in 1924 failliet ging.

 

De omroepverenigingen zoals de AVRO, VARA, NCRV, KRO en de VPRO begonnen vanaf 1924-1926 met uitzendingen, via de nieuw opgerichte zend masten van de Nederlandse Seintoestellen Fabriek (NSF) te Hilversum (Philips) in samenwerking met Willem Voght, de oprichter van de AVRO.

Er stonden allerlei fabriekjes die toestellen en onderdelen leverden, waardoor het ook mogelijk werd om zelf met radio aan de slag te gaan.
Beroemd zijn o.a. de zelfbouw radio’s van de VARA geworden, de z.g. VARA-DYNE.
Hoewel destijds ook al naar buitenlandse zenders geluisterd kon worden, ging dat heel moeizaam omdat er enorm hoge antennes gebouwd moesten worden, zoals een antenne die vaak tussen 2 schoorstenen opgehangen moest worden m.b.v. isolatoren. (de z.g. “eitjes”)
Er was ook nog een plaatstroom apparaat nodig voor de 200 volt anode spanning en een aparte 8 volt gelijkstroom voeding voor de gloeidraden van de radiolampen.

 

Omstreeks 1925 kwamen de fabriekradio’s in de handel zoals het Philips type “Norera” met de “Lissenola” hoorn luidspreker. Opvallend is dat er eigenlijk niet op de vormgeving gelet werd, zoals de eenvoudige metalen kastjes. Men noemde ze vaak het “Koekblik” of het “Broodtrommeltje”. In ons museum kunt u een aantal radio’s uit die tijd zien met triode lampen, die in 1906 door Lee de Forest zijn uitgevonden. (Het zijn de eerste versterkerlampen met een gloeidraad, een rooster en daar omheen een anode)
Eerst kwamen er 3-lamps radio’s. Daarna volgden er radio-modellen met meerdere radio lampen. Vooral de kasten van deze radio’s werden steeds fraaier vormgegeven omdat de ontvangers eigenlijk een meubelstuk gingen vormen in het huis en alleen welgestelden in die tijd zich een radio-installatie konden veroorloven.

Kristalontvanger.

Heel populair werd de ‘kristalontvanger’, die werkte met een stukje pyrietkristal geklemd tussen twee houders, met enig geluk kon men dan de zender in Hilversum of in Kootwijk ontvangen. Ook in deze tijd kan dit nog, alleen wordt nu gebruikt gemaakt van een z.g. diode. Kristalontvangers zijn nu zelfs in bouwdoosvorm weer te koop. Vanaf 1928 werd het mogelijk door particulier initiatief om radio-ontvangst in huis via een draad te krijgen, wat goedkoper was en storingsvrij werkte. Zo zijn er in Nederland talloze particuliere draadomroepen ontstaan.

Draadomroep.

Tegen betaling van een klein bedrag had men dan “draadomroep”. Later op 9 december 1930 werd daar pas toestemming voor verleend door de overheid. Daarna was het mogelijk om via de al bestaande telefoonverbinding radiodistributie in huis te krijgen tegen een bedrag van ƒ 2,50 (in 1931). In Rotterdam verzorgde de Gemeentelijke Radio Dienst (G.R.D.) de installatie. In 1939 waren er 25000 aansluitingen alleen al in Rotterdam, draadomroep was lange tijd een groot succes in Nederland. Het PTT telefoon bedrijf liet Philips de versterkers maken.
Het versterkerkastje had aanvankelijk 2 knoppen, was eenvoudig te bedienen en bood slechts vier zenders. Dit radiodistributiesysteem heeft nog tot 1975 gewerkt. De radio ontwikkelde zich ondertussen steeds sneller, de kwaliteit verbeterde door betere lampen (buizen) en de ontwerpen, de z.g. rechtuit ontvanger werd een superheterodyne ontvanger.
De ontvangstkwaliteit werd daardoor aanzienlijk verbeterd.
Maar de radio was nog steeds erg duur, er werd dan ook veel zelf gebouwd. Er werd intensief geluisterd naar binnen- en buitenlandse zenders. Bij het begin van de oorlog in 1940 had bijna iedereen een ontvangstmogelijkheid in de een of andere vorm, zodat vrijwel iedereen via de radio op de hoogte bleef van de ontwikkelingen en er ook naar de BBC zender geluisterd kon worden die met een speciaal programma “Radio Oranje” gericht op Nederland, heel populair was.

De bezetting.

In 1942 moesten dan ook van de bezetter alle radio’s ingeleverd worden De distributie bleef ingeschakeld, d.w.z. de twee Nederlandse zenders. Toch werden niet alle radio’s ingeleverd. Zo ontstond de “onderduikradio” waar toch in het geheim naar geluisterd werd en waar zeer zware straffen op stonden als men gesnapt werd. Deze in beslag genomen radio’s werden in Rotterdam, o.a. in dit gebouw waar thans het Radio Museum in gevestigd is, verzameld en per spoor naar Duitsland vervoerd. Na 1945 zijn ze weer op dezelfde wijze teruggekeerd, weer in dat gebouw! Deze partijen inmiddels verouderde en vaak defecte radio’s werden in Rotterdam door handelaren opgekocht die hier met behulp van nog goede onderdelen weer spelende exemplaren van hebben gemaakt. Zo was er b.v. in Rotterdam een radiofabriek genaamd “Liberty Voice”, die daarmee begonnen is (op de Kleiweg) en tot 1949 heeft bestaan. Er was nog een radiofabriek, de firma Cranendonk. Daar werden de ITAX radio’s gemaakt met o.a. onderdelen vanuit Frankrijk. Lampen (radiobuizen) moesten nog gekocht worden in Amerika bij de fabriek van Sylvania omdat er in Europa niets op dat gebied in die tijd geproduceerd werd. Na 1945 kwamen de radio’s die in grote aantallen geproduceerd zijn, vaak een bakelieten kast of juist met alleen een plank. Alle materiaal was zeer schaars in die tijd.

Radiomeubels.

Na 1950 kwamen er mooi uitgevoerde radiomeubels met uitgebreide afstemschalen, m.n. van verre wereldsteden met daar steeds tussen Hilversum 1 en 2. Er kwam ook korte golf bij, buiten de midden- en lange golf, die er al waren op de radio. Die korte golf van 21 tot 49 meter was vooral belangrijk in tropische gebieden omdat over grote afstanden naar vaak Europese stations geluisterd kon worden. Radio werd dan ook een export artikel. Er werden radio’s uit diverse landen geïmporteerd hoewel de meeste toch in Nederland van Philips kwamen. Bekende Duitse merken werden in Nederland verkocht zoals Grundig, Graetz, Nordmende, Braun, Siemens, Schaub Lorentz, Loewe Opta, Korting enz. Vaak uitgevoerd in fraai gepolitoerde kasten en soms met platenspeler en bandrecorder ingebouwd. In Nederland waren er fabrieken zoals Erres (van der Heem) en Fridor die in samenwerking met Philips radio’s maakte. Zelfbouw was ook toen nog steeds populair, er verschenen diverse hobby radiobladen. Er waren in Zuid Holland ook veel meer radiohandelaren en hobbyzaken dan nu, zoals Correct, van Embden, Elra, Stuut & Bruin, Kontact enz., die allemaal een boterham verdienden aan de reparaties en de verkoop van radio’s en tv’s en elektronica onderdelen.

TV antenne.

Het installeren van een tv antenne op het dak was een hele klus in die tijd, ook het aantal reparaties gaf veel meer werk omdat de meeste toestellen nog met buizen werkten en nog niet met geintregeerde circuits werkten en veel storings-gevoeliger waren dan nu het geval, daarom werd toen nog vrijwel “alles” vakkundig gerepareerd.
Omstreeks 1958 kwam Philips met de z.g. A toestellen, vaak in die platte (plano) kasten wat mogelijk werd omdat de luidspreker buiten het toestel geplaatst werd.
De luidsprekerkast kwam weer terug, de luidspreker zelf werd aanzienlijk verbeterd. Voor het eerst werd de geluidskwaliteit (Hi-Fi) veel belangrijker in een vaak fraaie kast. Radio’s werden veel duurder, een Philips A radio kostte toen in 1958 ƒ 820,00! Er waren wel goedkopere radio’s, vaak in kleine bakelieten kastjes; de bekende “U” toestellen. Die heetten zo omdat de gloeidraden van de buizen in serie geschakeld zijn, de anode spanning werd tevens direct uit de voedings-spanning gehaald. Er was geen dure en zware transformator meer nodig, hoewel het gehele toestel erg warm werd en op een gevaarlijke wijze aan de fase van de netspanning kon liggen!

Japanse radio’s.

Omdat in Europa de productiekosten stegen, kwam er voor de meeste radio fabrikanten grote concurrentie uit Japan.
Aanvankelijk was de Nederlandse consument om allerlei redenen niet zo bereid om die nieuwe Japanse producten te kopen. Een van die redenen was de “kast”. De consument was een mooie kast om het toestel gewend, men wilde die kale Japanse kastjes niet. Echter, de prijs was lager en de kwaliteit werd verbeterd en er werden allerlei snufjes toegevoegd die ervoor zorgden dat die Japanse radio en tv steeds meer in Nederland werden verkocht. Bijzonder was bijvoorbeeld in die tijd de z.g. ‘book-shelf’ radio van Sony die inderdaad op een boekenplank paste. Doordat de transistor steeds meer in allerlei schakelingen werd toegepast en de z.g. gedrukte bedrading (printplaat) meer gebruikt, werden ook de kasten steeds kleiner. Deze ontwikkeling ging steeds sneller na 1970. Hoewel de ontvangst techniek op zich hetzelfde bleef werd de kwaliteit steeds beter. Portable radio’s kwamen erbij. Vaak in leuke kleine kastjes verpakt “met 6 transistoren” stond er dan op.

In 1956 kwam Sony met haar eerste transistorradio.
Door de toegenomen welvaart kon iedereen zo’n radiootje kopen. Maar ook die werden al snel kwalitatief beter met 3 golfbereiken en met lichtnetvoeding. Het geluid klonk door de speciaal daarvoor ontwikkelde speakers heel goed.
Er kwamen ook wereldontvangers (Grundig en Sony) die van uitstekende kwaliteit waren.

Stereo ontvangers.

De grootste verandering was, dat stereo ingevoerd werd. Eerst alleen via de plaat en de stereoversterker. Later werden ook de studio’s en de zenders omgebouwd. Dat heeft nog jaren geduurd. Met een rood lampje werd op de schaal aangegeven of er in stereo werd uitgezonden of niet. Het stereolampje werd door een 19 KHz piloottoon vanuit de zender aangestuurd. Door detectie van die piloottoon in de ontvanger kunnen dan twee kanalen in een radio van elkaar gescheiden worden. Dat was in die tijd een bijzondere gewaarwording. Een prachtig ruimtelijk geluid kwam de huiskamer binnen, het luisteren naar muziek werd belangrijker maar men begon ook te letten op de kwaliteit zoals minder ruis, vermogen van de versterker, gevoeligheid van de ontvangst, kanaalscheiding enz. Het HiFi geluid werd tot een begrip verheven!

Televisie.

In 1953 begon de televisie in Nederland met de eerste proefuitzendingen vanuit Eindhoven waar Philips de uitzendingen verzorgde en slechts 50 toestellen bij zorgvuldig geselecteerde mensen stonden. Er moest van alles ontworpen en gemaakt worden. Niet alleen de zwart-wit toestellen maar ook de camera’s, zenders, zelfs de antenne. Toch gingen de ontwikkelingen razendsnel. Hier ziet u het eerste commercieel geproduceerde toestel de TX 400 ‘het Hondenhok” werd dit type ook wel genoemd. Slechts 4 kanalen met z.g. VHF band. Dat was geen probleem want er waren maar 1 of 2 zenders te ontvangen. Buitenlandse zenders ontvangen was i.v.m. de afstand behalve in de grensgebieden nog niet mogelijk. Alleen met grote antennes en met versterkers kon in b.v. Rotterdam naar de Belgische zenders gekeken worden. Centrale antenne installaties waren er nauwelijks en de “kabel” bestond toen nog niet, wat tot wirwar van antenne installaties tot gevolg had, op de daken van de meeste huizen. In 1960 werd vanuit een kunstmatig eiland een tv zender opgericht, het REM eiland. Om die commerciële zender te kunnen ontvangen was een (kleine) antenne nodig maar ook een UHF naar VHF voorzetapparaat omdat er op “ultra high frequency” werd uitgezonden. Iedereen wilde naar die leuke programma’s kijken zoals ‘Mr. Ed, het sprekende paard’. De toenmalige televisies waren n.l. alleen geschikt voor VHF ontvangst vandaar die losse kastjes bovenop de televisie. In het begin, omstreeks 1958, waren er alleen zwart-wit toestellen te koop vanaf 36 cm beeldbuis (14TX113A) of 43 cm beeldbuis (17TX220A) van Philips met een 90° afbuiging.

Kleurentelevisie.

Kleurentelevisie begon in Nederland op 1960. De toestellen waren in het begin erg duur ƒ 2.000,- voor een 43 cm beeld was heel gewoon. Een groter beeld dan 53 cm was in 1965 nog niet te koop. Japanse fabrikanten werden door allerlei Europese maatregelingen van de tv markt geweerd. Ze mochten wel kleine toestellen verkopen zoals bijvoorbeeld de Sony portable televisie die in 1959 de eerste “all transistor” uitbracht. (nu echt een collectors item)

Stereo TV.

Pas in 1978 kwamen niet alleen de grotere beeldformaten in de handel. Stereo werd nu ook bij tv uitgezonden. Alleen via een ander systeem, d.w.z. niet met een piloottoon van 19 KHz. Maar werd het meegezonden (als intercarrier) met het geluidssignaal en het beeldsignaal. Zo ontstonden er twee aparte kanalen. Van “stereo” mag je eigenlijk niet spreken, toch is de term wel overgenomen van de radio. Het voordeel van die twee aparte kanalen is dat het mogelijk werd om tweetalige programma’s te maken, alleen bij de Duitse zenders werd dat soms toegepast.
In Nederland werd dit niet gedaan. Met de komst van digitale televisie is ook deze mogelijkheid erbij gekomen.

Autoradio’s.

Een radio in de auto was voor 1940 een zeldzaam verschijnsel, zeker in Europa. In Amerika kwam dat veel meer voor, daar begon dan ook de ontwikkeling van de autoradio. In 1946 waren het nog grote apparaten omdat er een z.g. trilleromvormer nodig was die de hoge voedingsspanning moest opwekken voor de buizen (200V). Pas toen de eerste transistor autoradio’s kwamen ging ontwikkeling heel snel. Vooral uit Japan kwamen de heel eenvoudige en goedkope autoradio’s die goed pasten in de Europese auto. Ook Philips en Duitse merken zoals Blaupunkt kwamen met speciale autoradio’s. De afstemming op de zenders gebeurde nog mechanisch en werd later uitgebreid met een mechanische zendervoorkeur instelling. De ontvangst was eerst alleen nog op midden en lange golf. Na 1955 werd het mogelijk om ook op FM band frequentie (100-108 MHz) te ontvangen. Vaak was de ontvangstkwaliteit erg slecht. Pas toen er na 1960 meer steunzenders bij kwamen en de ontvangstgevoeligheid door betere transistoren toenam, werd de autoradio pas echt populair. Bovendien werd het extra “kijk en luistergeld” opgeheven.

Luidsprekers.

Al vanaf het begin werden luidsprekers met hetzelfde principe gemaakt. Deze bestond uit een papieren conus met daaraan bevestigd een spoel die in permanente magneet heen en weer kan bewegen. Met de toekomst van steeds betere radio’s nam de kwaliteit van de “weergever” ook toe, zeker door de ontwikkeling van de vaste magneten o.a. door Philips.
De werkelijkheidsweergave of HiFi werd steeds belangrijker. Een luidspreker was niet meer voldoende omdat deze alleen maar een bepaald gebied van het frequentie gebied bestrijkt. Met filters worden de lage- midden en hoge tonen van elkaar gescheiden en naar speciaal voor dat frequentie gebied ontwikkelde luidsprekers geleid. Vaak met drie of meerdere luidsprekers in een kast werd dat heel gewoon. De afmetingen van de luidsprekers nam wel toe, zeker bij de z.g. basreflex luidsprekers die speciaal de lage tonen accentueerden door middel van een opening in de kast waarbij via een luchtvertraging de lucht verplaatst wordt door de speaker.
Vooral Engelse fabrikanten maakten mooie “speakerboxen” (o.a. KEF). De consument vond vooral de lage tonen erg mooi, meestal maakte de Europese fabrikanten die ook, de Japanse speakers vond men te “hoog”. Pas veel later verbeterde dat. Met de komst van betere elektronica werd ook een betere kwaliteit bereikt in vooral kleinere luidspreker behuizing. Hoewel de voorkeur van de ware geluidsliefhebber nog steeds uitgaat naar een grote “kast”. Geprobeerd is nog door de engelse fabrikant Quad om met z.g. elektrostatische speakers en met een platte kast een markt te veroveren. Dit is nooit een succes geworden.
Bij het stereo geluid ontbrak altijd het achtergrond geluid. In de zeventiger jaren begint men met de ontwikkeling van de Quadrafonie waar twee achtergrondspeakers bij nodig waren. Het geluid was prachtig, maar helaas ontbrak het aan voldoende geluidsdragers in die tijd (alleen platen). De CD was er toen nog niet. Radio uitzendingen zouden er komen maar deze ontwikkeling heeft zich echter niet voortgezet, mede omdat de grote fabrikanten het niet eens konden worden welk systeem er moest komen CD 4 of SQ. De platenindustrie werkte ook niet mee, er moest namelijk een hulpdraaggolf (30 KHz) gemoduleerd worden op de Quadrafonie-platen en dat vereiste grote investeringen of men moest een matrixdecoder gebruiken bij het SQ systeem. Pas in 1990 kwam Dolby multi-surround als een andere vorm terug en inmiddels een groot succes is geworden.

Platenspelers.

In 1877 is door Edison de fonograaf uitgevonden. Dat was de eerste geluidsdrager die gebruik maakte van een ronde koker met aanvankelijk tinfolie er op bevestigd, later met een waslaag (de wasrol) die door een membraam en naald van putjes werd gemoduleerd; het z.g. “hill and dale” principe. Door E. Berliner is in 1888 de grammofoon uitgevonden die werkte met een matrijsplaat met een dun waslaagje. Na de opname werd met chemicaliën de groef in de matrijs aangebracht, waar dan weer schellak ingegoten werd. Deze techniek met schellak platen werd steeds populairder, vooral in Europa omdat de geluidsvolume veel groter was t.o.v. de al bestaande wasrol / fonograaf. Bovendien werd er veel meer muziek opgenomen van in die tijd beroemde zangers zoals b.v. Caruso of orkesten. Platen waren maar tot 1930 aan één kant af te spelen. Klassieke muziek bleef nog lang aan een kant bespeelbaar. Er werd dan zo meer verdiend aan de koper. Pathe bracht in Frankrijk de pathefoon uit met de patenten van Berliner met speciaal Franstalige muziek op die eerste platen met die bekende haan als symbool. De geluidskwaliteit was nog matig in die tijd (rond 1910) maar werd steeds beter door betere opnametechnieken. De zeer harde en breekbare schellak plaat werd nog tot 1950 geproduceerd. De opnamen werden toen al lang met een elektrische snijbijtel gedaan. De weergave ging weer akoestisch d.m.v. een stalen naald die de groef in de schellak plaat volgt. Met een mica trilplaatje en een holle buis en een hoorn werd het geluid versterkt. Later werd die hoorn ingebouwd in de kast (hier te zien). Zo omstreeks 1930 kwamen er elektrische elementen die werkte met een hoefijzermagneet en een spoeltje wat door de naald mechanisch bewogen werd waardoor een elektrisch signaal wordt afgegeven. Deze element techniek werd steeds meer vervolmaakt. De snelheid van de plaat bleef jarenlang dezelfde, n.l. 78 toeren per minuut. Het geluidsvolume kon toen via de versterker geregeld worden, bovendien klonk nu het geluid een stuk beter dan voorheen. Door belangrijke verbetering van de plaatproduktie na 1950 door kunststof (vinyl) toe te passen en nog weer later de slinger beweging van de “groef” te versmallen (minigroef) werd het toen mogelijk om meer op een plaat te persen. Bovendien was het ook mogelijk na 1960 de snelheid van 78 toeren per minuut naar 33? toeren per minuut te brengen (LP). Voor enkele nummers kwam het z.g. 45 toeren plaatje (het singeltje). Helaas met een groter gat in het midden waardoor altijd dit met een adapter of spindeltje opgevuld moest worden. Om stereo te kunnen weergeven moesten er twee sporen in een groef komen. Dat werd opgelost door twee sporen onder een hoek van 45 graden aan te brengen. De stereo plaat bleef ook mono afspeelbaar, in het element waren twee weergave elementen gemonteerd die steeds kleiner en vooral lichter werden. In het begin waren dat nog kristal elementen, weer later het magnetodynamische element wat alsmaar verbeterd werd door b.v. het moving coil element of met andere vorm van het saffier. De plaat-ruis en z.g. rumble bleef nog wel steeds een probleem. Om meerdere platen af te spelen werd de platenwisselaar ontwikkeld die dit via een ingewikkeld en storingsmechanisme mogelijk maakte. De nauwkeurigheid van de omwentelingen van draaiplateau werd bepaald door de aandrijfmotor meestal een 50 Hz synchroonmotor. Snelheidsverandering 78, 33? of 45 toeren gebeurde door een mechanisme dat het z.g. tussenwiel op een andere spindel diameter zette van de motor.

Geavanceerde draaitafels.

Na 1970 kwamen er platenspelers of nu draaitafels genoemd, die steeds geavanceerder de snelheid regelden, eerst nog met een snaaraandrijving i.p.v. met een tussenwiel. Latere uitvoeringen met elektronisch geregelde servo motoren met als de top op die ontwikkeling een quartz geregelde motor en een stroboscoop op de zijkant van het plateau die de verschillende snelheden zeer nauwkeurig elektronisch regelde. Met toonarmen en elementhouders die prachtig waren, met nauwkeurige dwarsdruk compensatie en gewichts afstelling van de arm en soms heel zware plateaus. Het pick- up element van vroeger werd een m.d. weergave element van een hoogstaande kwaliteit en weergave karakteristiek tot 20 KHz Een ontwikkeling waar fabrikanten veel geld in investeerden (o.a. Ortofon en Stanton). Door ontwikkelingen op een heel ander gebied n.l. de Laser Disc werd de draaitafel na 1980 toch verdrongen en in 2000 samen met de platen geheel verdwenen. Gelukkig zijn veel van die ontwikkelingen in ons museum bij elkaar gebracht zoals de simpele en eenvoudige platenspelers, met soms een versterkertje ingebouwd, waar heel veel mensen in die jaren veel plezier aan beleefden.

Bandrecorders, Taperecorders, Videorecorders.

In 1938 maakte men al primitieve Wire(draad)recorders die werkte met een dunne stalen draad die langs een opname/weergave element geleid werd. Door deze draad met een bepaalde snelheid langs dat element te verschuiven en gelijk een magnetisch veld op te wekken rond die draad kan die met een geluidssignaal (spraak of muziek) gemoduleerd worden. De geluidskwaliteit was door het lage frequentiebereik matig, maar werd toch wel toegepast in dictafoons. In Nederland (1948) was de firma Amroh die een dergelijk apparaat zelfs met een platenspeler in de handel bracht. Deze firma was ook de eerste (1955) die met eenvoudige bandrecorders kwam; de Handy met een snelheid van 19 cm per minuut. Dat was mogelijk geworden door een band die opgedampt met ijzeren deeltjes gemagnetiseerd kon worden. In het begin waren die geluidsbanden nog niet “glad” genoeg zodat er snel een behoorlijke slijtage aan de “koppen” ontstond. De kwaliteit van het bandmateriaal werd na 1950 steeds beter en er kwamen betere recorders in de handel. De bandsnelheid bleef lange tijd 19 cm per minuut. Soms was het mogelijk door het veranderen van de as-pully de snelheid te halveren want de banden waren in die tijd erg duur. De snelheid werd dan 4¾ per minuut en er werd gebruik gemaakt van 1 synchroon motor. Door gebruik te maken van (rubber) tussenwielen of snaren kon langs mechanische weg vooruit of achteruit gespoeld worden, een aandrukrol drukte de band tegen de aandrijfas. Deze constructie maakte deze bandrecorders nogal onderhouds-gevoelig. Maar ook de techniek werd veel verbeterd door belangrijke fabrikanten in Europa door Revox en o.a. Akai in Japan. Zelfbouw was er ook nog in die tijd. Vooral door de “stereo” werd de band of taperecorder steeds populairder omdat de compact cassette pas in opkomst was die in het begin nog niet de kwaliteit had van de taperecorder. De taperecorder was superieur in de weergavetechniek; het frequentiegebied liep wel op tot 20 Khz. Door een engelse fabrikant Dolby werd een ruis-onderdrukkingsysteem ontwikkeld dat een belangrijke kwaliteitsverbetering impuls was voor de “compactcassette die ontwikkeld is door Philips. Daarvoor was er heel kort (2 jaar) het z.g. “8-track” systeem ontwikkeld in Amerika, die bestond uit vooropgenomen muziek (8-sporen) op een 12.5 mm band in een plastic cassette. (hier te zien). Omdat Philips een licentie met de belangrijke Japanse fabrikanten afsloot kon de “compactcassette” in de wereld geproduceerd worden wat tot een grote populariteit leidde, wat tot heden zo is gebleven ondanks de opkomst van CD. Het zelf opnemen met die cassettes en weergeven van vooropgenomen werd immens populair. Door deze verbeteringen in kwaliteit van de compact cassette liep de belangstelling voor de taperecorder terug, hoewel de top recordermerken nog lange tijd te koop bleven zoals het merk Revox, Marantz en Akai.

Videocamera en recorders.

De eerste portable videocamera’s met opname apparatuur die in de handel kwamen gebruikten de onderdelen die al in bestaande videorecorders aanwezig waren. Ze waren dus erg zwaar en gebruikten veel energie; erg portable was het allemaal niet. De videocamera was zo groot in formaat doordat heel lang gebruik werd gemaakt van een z.g. “vidicon”buis (20 mm bij 120 mm) dat is een buis met aan de voorkant een plaatje halfgeleider materiaal, waar omheen de afbuigspoelen voor de horizontale en verticale afbuiging zitten. Alles bij elkaar was dat gewicht o.a. van die vidicon buis, spoelen en bijbehorende elektronica plus de voeding via de accu’s vrij groot. Klein werd de speciaal voor portable gebruik ontwikkelde camera’s met “silicium chip” ook met de bijbehorende elektronica en de mechanische onderdelen voor de opnamerecorder. Vooral de firma Sony en JVC hebben zich erg ingespannen vanaf de jaren zeventig om die techniek te vervolmaken, zodat het mogelijk was om camera en recorder samen te voegen in een behuizing. Hier ziet u hoe die ontwikkeling op dit gebied is gegaan.

De V-2000 Videorecorder.

Philips was een pionier en hiermee tevens een innovatie ontwikkelaar op het gebied van videorecorder systemen.
(V-2000 etc.) Vrijwel de meeste producten, zoals hierboven beschreven, zijn bedacht door Philps in het research laboratorium te Eindhoven.
In dit research centrum zijn o.a. ook de Compact-Cassette en de CD-DVD spelers ontstaan.