Radio Distributie

Door: Dick van Deelen.

Ontvangst via de kabel?

Er is eigenlijk niets nieuws onder de zon.

In de jaren twintig konden we in Rotterdam al via de kabel naar de radio luisteren.
Weliswaar was het de telefoonkabel, maar toch… Radiodistributie heette het. Of draadomroep. Elke abonnee had een versterkerkastje met aparte luidspreker in huis.Het kastje, ook wel het ‘Rotterdammertje’ genoemd, had twee knoppen. Eén was er voor de geluidssterkte en met de andere kon je kiezen uit niet meer dan vier zenders.
Hilversum 1 en 2 zaten erop, op stand 3 ontving je een Belgische zender en op stand 4 een Engelse of Duitse. Op zondag bestond de mogelijkheid om naar de zogenaamde kerkuitzending te luisteren.
De technische specificatie van het Rotterdammertje was simpel maar degelijk: de eindbuis was een AL 4, de gelijkrichterbuis een 1804 van Philips en het vermogen bleef beperkt tot 2 Watt.
De ‘draadomroep’ ontstond in Nederland door het initiatief van ondernemende zakenmensen die in het begin van de jaren twintig veronderstelden dat de radio onbetaalbaar zou blijven voor de grote massa.
Vooral in de grote steden was de nieuwe mogelijkheid een succes.

Er werden leidingnetten aangelegd waardoor tegen betaling van abonnements-geld een radioprogramma werd geleverd.
Aan het eind van dat decennium waren er overal in het land talloze bedrijfjes actief op het gebied van de draadomroep. De overheid was volkomen verrast door deze snelle ontwikkeling.
In het begin had men het particuliere initiatief op zijn beloop gelaten, maar vooral de kruisingen met de openbare weg waren een probleem en er was een vergunning nodig krachtens de Telegraaf- en telefoonwet. Spoedig ontstonden dan ook chaotische toestanden. De overheid moest wel ingrijpen.
Men besloot de radiodistributie onder te brengen bij de Telefoondienst. In sommige gemeentes werd de stributie zelfs verboden, maar in Rotterdam stond het belang van de ‘gewone man’ voorop.
Die moest radio-ontvangst kunnen betalen dus het gemeentebestuur ging akkoord. Er startte zelfs een proef in de gemeenteziekenhuizen.
De firma Siemens had al een systeem, de ‘Drahtfunk’, waardoor het mogelijk was via de bestaande telefoonkabel – waarvan vier aders gebruikt werden – het signaal naar de particulier te brengen.

Philips zag het commerciële belang ervan in en kwam in 1928 met een 1-traps laagfrequent versterker die later ‘Het Rotterdammertje’ genoemd zou worden.
Op 9 december 1930 werd een machtiging verleend door de minister voor radiodistributie via de gemeentelijke telefoondienst. Daarmee was tot ieders tevredenheid de Rotterdamse Radio Distributie geboren.
Met Philips werd een contract voor levering van de versterkers afgesloten. Defecte buizen zouden gratis worden omgeruild. De kwaliteit van de Philips buizen (AL4 en 1804) was echter zo goed, dat dit zelden nodig was.
Er werden speciale methodes ontwikkeld voor het parallellassen van de vier dubbeladers voor de radio naar de aansluitkabel via de verzegelde aansluitdoos (de z.g. spreidoos) met de weerstandlamellen naar de versterker bij de abonnee. Maar toch werd er nog ‘illegaal’ afgetapt.
Het tarief in 1931 werd vastgesteld op ƒ 15,- entree en ƒ 2,50 per maand per abonnee.
In het Kralingsebos was een ontvangststation ingericht met een hoge antenne dankzij masten van de firma Mannesmann. Op de begane grond werden in een huisje twaalf ontvangtoestellen op deze antenne aangesloten. De toestellen werden op afstand in de telefooncentrale op de Botersloot 187 ingeschakeld.
Daar kwamen ook de kabeladers binnen. Aan de Botersloot kwam een radiokamer met speciale tussenversterkers (Philips) waar telefonisten de programma’s uit binnen- en buitenland konden inschakelen. Door de hoge antennes in het Kralingsebos werd een storingvrije ontvangst bereikt.
De keuze van de buitenlandse zenders (keuzeknop 3 of 4) werd door ir. Boom, het hoofd van de telefoondienst, bepaald.
Wethouder De Zeeuw stelde de Gemeentelijke Radiodistributie Dienst (GRD) op 10 oktober 1931 officieel in bedrijf. Het aantal abonnees steeg in korte tijd enorm. In 1939 waren er al 24781. Na het bombardement in mei 1940 viel dit aantal terug tot 16534. Dat was te verklaren. Juist in de oude stadskern waren veel abonnees gevestigd.
In de dertiger jaren werd het mogelijk om op zondag via de radiodistributie naar de preek in de kerk te luisteren. Een uitkomst voor zieken en bejaarden. Na 1942 werd het luisteren naar buitenlandse zenders door de bezetter gecensureerd. In de jaren na de oorlog beleefde de draadomroep nog een opbloei, maar geleidelijk liep het aantal aansluitingen terug en op 31 januari 1975 was het tijdperk van de Radiodistributie in Rotterdam ten einde.

Bronnen:

Geschiedenis van de telefoondienst Rotterdam 1882-1950. Gemeente drukkerij Rotterdam. TU Delft Telefoon geschiedenis door J.C. Roovers, (overleden in 2001) oud vrijwilliger Rotterdams Radio Museum. Handboek der Radiotechniek Rens & Rens (1951) blz. 497 de radiocentraleversterker.