Thomas Alva Edison

Op 12-jarige leeftijd werd hij krantenjongen en verkocht hij kranten, broodjes en snoep aan treinreizigers op het station. Op deze leeftijd kwam ook aan het licht dat hij slechthorend was. Op het station waar hij werkte, raakte hij gefascineerd door de techniek van telegrafie.
Om die reden hing hij vaak rond bij de kantoren met de telegraaf van de treinmaatschappij.
Toen hij Mount Clemens, de zoon van de stationschef, redde en bijna zelf geraakt werd door een rijdende wagon kreeg hij als beloning gratis telegrafielessen.
Al spoedig was hij erg handig in het verzenden en ontvangen van de punten en strepen van de morseseinen. Op 16-jarige leeftijd kreeg hij een baantje als telegrafist in Port Huron. Zijn gehoorstornis was echter geen belemmering en hielp hem juist om de geluiden van de omgeving niet te horen, maar wel de morseseinen. Gedurende vijf jaar reisde hij als telegrafist door het Midden-Westen van Amerika en was hij op 20-jarige leeftijd al de snelste telegrafist uit de regio.
In 1868 wordt Thomas 21 jaar en besluit hij om uitvinder te worden.

In die tijd begon hij een klein bedrijfje in Newark, New Jersey, en vroeg hij patent aan op een verbeterd elektronisch instrument via de Handelsbeurs.
Op dankzij dit patent kreeg hij ineens meer geld tot zijn beschikking.
Al spoedig had hij 300 mensen aan het werk en tegelijk 50 gepatenteerde uitvindingen op zijn naam. In 1876 verhuisde hij zijn fabriek naar Menlo Park in New Jersey en ontwierp hij daar de Pathofoon en de koolstofmicrofoon voor de telefonie. De voorloper van de grammofoon was Edisons grote uitvinding. Hij besteedde wel 3 miljoen dollar aan verbeteringen en noemde hij het apparaat ‘de Pratende machine’.

Het systeem bestond uit een ronde cilinder met een dunne laag metaalfolie. Een scherpe punt maakte krassen in de folie doordat in een ontvanger (een soort trechter) werd gesproken. Dit gebeurde terwijl de cilinder ronddraaide. De aandrijving van de cylinder werd aanvankelijk met de hand verricht, later kwam hier een veermotor voor in de plaats en werd het uiteindelijk vervangen door een elektromotor. Later gebruikte hij een mondstuk met een slang voor de opnamen en een hoorn voor de weergave.
Veel dove mensen wisten dat Edison ook slechthorend was en vroegen hem om een speciaal apparaat voor doven te ontwikkelen.

Medewerkers van Edison begonnen daarna met de ontwikkeling van de Audiofoon, maar dat werd geen succes. Artsen uit heel het land boden hem toen aan om iets aan zijn doofheid te doen.
Edison weigerde dat omdat hij al zoveel behandelingen moest doorstaan die zeer pijnlijk waren.

In 1879 had Edison succes met de ontwikkeling van de gloeilamp.
Gedurende één jaar probeerde hij een goede gloeidraad te maken die niet zo snel verbrandde. Eerst gebruikte hij een constructie met een draad van koolstof, later gebruikte hij bamboedraad en uiteindelijk werd het een gloeidraad van wolfram. Edison produceerde voor zijn gloeilamp een zeer dunne glazen bol en zoog deze vacuüm. De gloeidraad die in deze bol werd gebracht, werd door een elektrische stroom tot gloeien gebracht, doch brandde maar 40 uur.
De opvolgende experimenten leidden echter tot een bruikbare lamp met een veel langere levensduur. Deze wonderbaarlijke ontwikkeling was een enorme uitbraak, zodat de kranten er vol van stonden in die tijd. In de fabriek van Edison werden als vervolg op deze goede ontwikkelingen tegelijk massaproducten geproduceerd zoals schakelaars, elektrische isolatie materialen en natuurlijk de glazen omhullingen voor de gloeilampen. Er werkten op dat moment ca. 100 mensen in zijn nog steeds groeiende fabriek. In deze periode vond hij tevens de Dynamo uit, een apparaat (generator) waarmee elektriciteit kon worden opgewekt. In 1882 bouwde hij zijn eerste Professionele Elektriciteitscentrale, waardoor veel mensen vanaf dat moment de beschikking kregen over elektriciteit op het werk en thuis. Pas elf jaar na de ontdekking, kreeg Edison in 1884 zijn eerste patent op Elektronicagebied en noemde hij het: “het Edisoneffect”. Dit effect betreft de emmisie van elektronen die vanaf een gloeidraad naar een anode ontstaat als daar een hoge spanning op aangesloten wordt. Het Edisoneffect vormde op dat moment de basis voor de eerste elektronen buizen. In hetzelfde jaar overleed de vrouw van Edison en brak hierdoor een periode aan van weinig uitvindingen.

Twee jaar na het overlijden van zijn echtgenote hertrouwde Thomas en kreeg hij weer nieuwe ideeën. Een fabriek met een laboratorium in West Orange, New Jersey, werd zijn nieuwe werkomgeving. In 1887 vond hij de Kintigraaf uit (een soort filmcamera) en de Kintoscoop (een filmprojector) uit. Deze waren pas in 1891 geschikt voor praktisch gebruik. De Kintoscoop was een soort kijkdoos met een film die slechts door één persoon bekeken kon worden. Later hebben andere uitvinders dit concept verder ontwikkeld en is daar de huidige filmprojector voor bioscopen uit ontstaan.

Twintig jaar later koppelde Edison zijn fonograaf aan de film en vormde deze combinatie het oerprincipe van film met geluid. Op 18 oktober 1931 stierf Edison op 84 jarige leeftijd en werd hij begraven in zijn woonplaats Orange in New Jersey USA.
Dat hij een der grootste uitvinders van zijn tijd was wordt bevestigd door de ca. 1903 uitvindingen die met een patent op zijn naam staan.

In de voormalige woning van Edison is momenteel een museum ingericht met alle uitvindingen die hij tijdens zijn leven heeft gedaan. Ook het oude laboratorium in Clenmond is nu tot een Nationaal Historisch monument verklaard.