Studio Irene

De TV-studio Irene… en wat eraan vooraf ging.

Door: Rik Brugman.

Op 2 oktober 1951 vond de eerste televisie uitzending vanuit studio Irene te Bussum plaats.

Dit artikel poogt een reconstructie te zijn van wat er direct aan voorafging. Daarbij zullen vooral de technische aspecten worden belicht. De voorgeschiedenis die verder teruggrijpt in de tijd laat ik onbesproken (de experimenten van Philips, de strijd om de hoeveelheid beeldlijnen, de politieke strijd). Die is dermate interessant, dat ze een afzonderlijke belichting verdient.
Op 24 september 1951 gaf minister Th. Rutten van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen na maandenlang touwtrekken aan het nieuwe samenwerkingsorgaan van de omroepen, de Nederlandse Televisie Stichting, toestemming tot experimentele uitzendingen. De programma’s dienden verzorgd te worden door de AVRO, KRO, NCRV en VARA (later is de VPRO daaraan toegevoegd). Philips zou zorgen voor een studio en een reportagewagen. De NOZEMA zou in Lopik een TV-zender oprichten. De eerste uitzending vond plaats op 2 oktober 1951 met een openingstoespraak door de staatssecretaris van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen, mr. J. Cals.

 

Het gebouw Irene.

Een oud kerkje in het centrum van Bussum, op een plaats, waar vroeger een oud kapelletje had gestaan. In een zijbeuk van dit kerkje was een wolwinkeltje gevestigd; in het centrale deel stond nog een kerkorgel. Enige mensen van Philips keken er rond of deze ruimte geschikt was als TV- studiootje. Het waren o.a. ir. Paling, ir. Olthuis en de heer Van Vlerken, die voor een deel reeds betrokken waren bij de TV-experimenten in Eindhoven in het Nat Lab van Philips.
De kerktoren werd veel te laag geacht; er diende immers een straalverbinding met de zendmast in Lopik tot stand gebracht te worden. Voor de Bussummers werd dit het uiterlijke kenteken, dat de TV hier begon; een hogere toren met een opening opzij om één en later zelfs twee straalzenders in te plaatsen. Binnen in de kerk diende een aantal verbouwingen plaats te vinden om een centrale controlekamer voor de beeldapparatuur, een regiekamer, een filmcabine (volgens voorschriften van de brandweer!) en een onderhoudswerkplaats in te richten. En, o ja, ook nog kleedkamers en toiletten voor de artiesten.
De firma Sikking kreeg de opdracht de verbouwing te doen. En waar Philips de electrotechnische installatie steeds door de Eindhovense firma Nolten liet inrichten, kreeg deze firma ook hier de opdracht, die hiertoe personeel in het Gooi het werk liet uitvoeren. Aan de firma Tönis, een bakkerij-kokerij, die tegenover studio Irene gevestigd was, werd gevraagd om een kleine kantine in de voormalige wolwinkel in te richten. De gemeente Bussum verleende hiertoe een ‘Verlof B’ aan de heer Tönis.

In het voorjaar en de zomer van 1951 ontstond een TV-studio.

De technische uitrusting In het Nat Lab in Eindhoven werd onder leiding van de heer W. van Vlerken vooral fundamenteel onderzoek gedaan, waarbij de apparatuur zodanig was opgebouwd, dat wijzigingen relatief eenvoudig te realiseren waren. Om een detail te noemen: alle chassisdelen van de apparatuur waren ondersteboven geplaatst, waardoor de bedrading en de condensatoren en weerstanden eenvoudig aan te passen waren. Het besluit van Philips om de televisie naar het Gooi over te plaatsen, nabij de omroeporganisaties, hield tevens in, dat de Nederlandse Seintoestellen Fabriek NSF in Hilversum, een dochter van Philips, die reeds radiozenders en radiostudio-installaties maakte, ook de opdracht kreeg om nu televisiestudio-apparatuur te maken. In het laboratorium van deze NSF werd reeds gewerkt aan straalzender voor telefoniedoeleinden. Deze groep kreeg de opdracht om een versie te ontwikkelen voor de overdracht van televisiesignalen. En zo werd in 1950 in Hilversum een kleine werkgroep opgericht van electronici en constructeurs, die zelfstandig aan de gang gingen, om meer professionele apparatuur te vervaardigen, die ook commercieel verkoopbaar zou blijken te zijn. Ir. J. Olthuis en de heer C. Sir gaven leiding aan de electronische ontwikkeling terwijl ir. J. Wenken voor de mechanische constructie verantwoordelijk was. De bouwvorm van de bedieningslessenaar en rekapparatuur werd door de constructeur, de heer Wenken, overgenomen van de reeds bestaande vorm van radiozendapparatuur. Een televisiemonitor diende ontwikkeld te worden, die afgeleid kon worden van de in Eindhoven reeds opgedane ervaringen om TV-ontvangers te bouwen.
De impulsgenerator, waarin alle signalen ontstaan, die de TV-norm bepalen, moest opnieuw worden ontwikkeld, omdat er een nieuwe TV-standaard was aangenomen. Hiermee werd o.a. de heer Kerker belast, een jonge technicus, voor wie TV een nieuw werkterrein was. Termen als syncfabriek (die de pulsen maakte), de badkuip (die de ‘ruwe’ pulsen maakte) en de ‘donderdoos’ (die de impulsen aanpaste om de lichtflitsen bij de filmaftaster te onderdrukken) ontstonden in het gebruik. De TV-camera werd fundamenteel anders dan de eerste iconoscoopcamera’s in het Nat Lab te Eindhoven. De oorzaak was dat in de buizenfabriek een nieuw type opneembuis was ontwikkeld, die in Amerika reeds in opkomst was: de super iconoscoop. In tegenstelling tot de eenvoudige iconoscoop, waarvoor grote lenzen nodig waren (afkomstig van luchtfotoapparatuur) kon de super iconoscoop werken met lenzen, die reeds bij 35 mm filmcamera’s werden toegepast.

Dit bood de mogelijkheid om aan de voorzijde van de camera een draaischijf met vier verschillende lenzen te monteren, die met een handel door de cameraman eenvoudig gekozen konden worden. Hierdoor ontstond tevens de noodzaak om een electronische beeldzoeker te ontwikkelen in tegenstelling tot de iconoscoopcamera uit het Nat Lab, die een optische zoeker had. Nadat in het Nat Lab een prototype van een super iconoscoop-camera gemaakt was, ontwikkelden de constructeurs in de NSF een geheel nieuw type TV-camera, die in diverse modules was opgebouwd, zodat de verwisseling van units snel kon geschieden, een systeem dat later bij printed circuits alom gebruikelijk zou worden.
In studio Irene zouden uiteindelijk drie camera’s geplaatst worden, alsmede een speciale versie met een iconoscoop voor dia- en 16 + 35 mm filmweergave.

Regiekamer

In een aparte kamer met een groot venster, dat uitzicht bood op de studio-speelvloer, werd ten behoeve van de regisseur speciale apparatuur geplaatst. In een folder uit die tijd lezen wij: ‘In de regiekamer dienen twee monitoren geplaatst te worden, één om het TV-beeld te zien, dat wordt uitgezonden; een tweede, een zgn preview-monitor, om het volgende beeld te beoordelen, dat hierna zal worden uitgezonden’. Om van het ene naar het andere beeld te kunnen overgaan was een serie coaxiale relais aangebracht, maar uit de filmwereld was reeds een overvloeier en een in- en uitfade bekend. Een soort volumeregelaar, die de grootte van de TV-signalen kon regelen, zou wellicht voor dit doel ontwikkeld kunnen worden. Weer toog de heer Kerker aan het werk en ontwikkelde een electronische beeldmenger, die op afstand vanuit de regiekamer bediend kon worden. Tevens kwam hij op het idee, twee beeldsignalen midden in het beeld te splitsen, een speels experiment, dat groot enthousiasme veroorzaakte bij de commercieel ingestelde medewerkers van Philips en programmamakers. Heden ten dage zijn TV-programma’s met trucages en dubbelbeelden niet meer weg te denken.

Filmweergave

Daar in de aanvang live studiobeelden nog schaars waren, werd een televisie-overdracht van dia’s en film o.a. voor testuitzendingen als een welkome aanvulling gezien. De NTS sloot overeenkomsten met de Nederlandse Bioscoopbond voor het uitzenden van speelfilms, wat onder andere zou inhouden dat eigen filmopnamen uitsluitend met bij de Bioscoopbond aangesloten filmbedrijven zouden mogen worden gemaakt. In de filmcabine van studio Irene werd centraal de iconoscoopcamera opgesteld, die geheel zonder lenzen werkte. Rondom deze camera stonden één diaprojector voor glasdia’s 8.3 x 8.3 cm, één 16 mm filmprojector en twee 35 mm bioscoopfilmprojectoren opgesteld, die via hun eigen lenzen en spiegels het beeld rechtstreeks op de iconoscoop projecteerden.
Een fundamenteel probleem was dat de wisseling van de – electronische – TV-beelden veel sneller verloopt dan de – mechanische – wisseling van filmbeelden in een projector. Dit betekende, dat een normale gloeilamp en vlinder in een filmprojector onmogelijk was. In plaats hiervan werd een flitslamp – zoals ook wel bij stroboscopen en disco’s – geïnstalleerd, die op het moment dat een nortmaal TV-beeld wisselt, even opflitst en aldus de opneembuis electronisch ‘oplaadt’. Dat dit opflitsen – waarvoor spanningen van 50.000 volt nodig waren – de nodige storingen in het beeldsignaal opleverde laat zich denken, zodat dit weer vroeg om de nodige onderdrukkingsapparatuur.

Shaden

Alle opneembuizen, zowel iconoscoop als super iconoscoop hadden problemen met contrastrijke beelden, waarbij vooral de donkere vlakken in een plaatje niet zwart werden weergegeven, doch een van de beeldinhoud afhankelijk licht- of donkergrijs. Om toch een enigszins redelijk beeld te verkrijgen dienden met electronische correctiesignalen deze grijze beelddelen donker gemaakt te worden, het zgn ‘shaden’ – schaduwen. Per camera diende één technicus constant bij elke beeldbeweging zo een zestal knoppen te bedienen, hetgeen een zeer omslachtig werk was. Toen latere fabrikanten betere opneembuizen ontwikkelden, werd dit dan ook als een doorbraak ervaren.

Waar zijn ze gebleven?

Het museum voor Beeld en Geluid beschikt nog over de iconoscoopcamera, de diaprojector en de 16 mm filmprojector uit de experimentele tijd, alsmede een tweetal bedienlessenaars. Na de brand van studio Irene in 1954 werd gepoogd de camera’s weer te gebruiken, maar het vocht van het bluswater bleek toch te vaak corrosie en dus storingen op te leveren. Zo is uiteindelijk alle Philips apparatuur vervangen door apparatuur van Duitse makelij, die met een verbeterd type opneembuis, de Riesel-iconoscoop, werkte. De NOS schonk de camera’s weg aan een instituut, zodat het museum helaas geen exemplaar bezit. Ook Philips is met dit type camera commercieel weinig gelukkig gebleken: er vonden nog experimenten plaats in Oostenrijk en Denemarken en één in Basel (Zwitserland) geplaatste camera werd ontmanteld, omdat de politiek na een gehouden volksreferendum vond, dat televisie niet hoefde.
Nog één poging waagde Philips: bij de manifestatie E55 in Rotterdam gebruikte men een tweede generatie TV-camera’s met super iconoscopen. Het zou tevens een toen mislukte poging zijn om te komen tot stadstelevisie, zoals in Amerika gebruikelijk was. Voor Philips was echter de verdere ontwikkeling van TV-ontvangers van groter belang dan de bouw van complete studioapparatuur, alhoewel in de jaren zestig Philips wereldwijd veel furore maakte met de uitvinding van de Plumbicon-opneembuis, die vooral een doorbraak voor de kleurentelevisie bleek.

De uitrusting van studio Irene is niet meer.

Het gebouwtje echter bestaat nog. Archeologen wroeten in de grond onder de speelvloer, waar resten van een skelet gevonden werden. Maar dat die er lagen wisten insiders, die bij de bouw betrokken waren, in 1951 al. Na de vondst is toen de vloer snel dicht gemaakt om die later misschien nog eens te openen.

Meningen van de vaderlandse pers
Zo maar een greep.
De Volkskrant (3.10.’51)
‘Het resultaat mag niet briljant worden genoemd, maar het was een experiment. De wijze woorden van de staatssecretaris beloven een goede toekomst voor de Nederlandse televisie’.
De Maasbode (16.10.’51)
zag grote financiële problemen in het verschiet: de medewerkers zullen steeds hogere gages vragen, kostbare decors zullen maar eenmaal worden gebruikt, er zullen aparte regisseurs moeten komen en een aparte personeelsbezetting’. De conclusie was zorgelijk en somber: ‘De televisie is gestart maar over de mogelijkheden van haar voortbestaan is men niet optimistisch gestemd’. Wie ‘men’ was, werd niet nader gepreciseerd.
Het weekblad Vrij Nederland (6.10.’51)
‘Als de televisie binnenkomt juicht lang niet iedereen, maar niemand houdt haar tegen. De TV komt pas kijken, de kijkers ook. De wedstrijd, wie het eerst groot is, moet door de televisie worden gewonnen’.
De Haagse Post (6.10.’51)
‘La télévision est en marche. Degenen die er zich te goeder trouw en met hart en ziel aan wijden, hebben recht op steun en belangstelling, al stelt men zijn verwachtingen laag. (-) Hopen we slechts dat de mislukkingen ten onzent tot lering strekken.’ De meningen waren nogal in mineur, om niet te zeggen wat zurig. Veel fiducie in wat hun landgenoten met script, regie en camera zouden kunnen presteren, hadden de critici niet.
Groene Amsterdammer (6.10.’51)
De verwachtingen van de Groen Amsterdammer waren iets rooskleuriger. Het blad meende dat de kracht van de televisie in de toekomst zou liggen in populaire causerieën, toegelicht met vernuftig vervaardigde hulpmiddelen. Een soort beeldradio dus, of lezingen met beweegbare lichtbeelden.
Dan waren er de spelen, maar ‘de behoefte aan een apart genre tekstschrijvers ligt meteen fors op tafel’. In het algemeen zouden de problemen niet gering zijn. Neem de tv-technicus: Ten dele moet hij nog worden opgeleid, ten dele heeft hij zijn handen vol aan het bewaken van zijn apparaten. Over de eisen aan een programmamaker oreert het blad: ‘Hij moet zijn: showman, pedagoog, zakenman, kenner van het publiek, een held in het weerstreven van wat het publiek in vaak grenzeloze gemakzucht eist; opvoeder ook van talent dat scenario’s kan schrijven’. Zeer belangrijk zijn de regisseurs. Zij moeten veel vrijheid hebben, doch beschikken over ontwikkeling, intentie en ambitie. Ze moeten estheet zijn, opvoeder en technicus. ‘De televisie zal zich danig met onze levensgewoonten bezig houden for better and worse’. De kop boven het artikel luidde: ‘Tussen pikzwarte duisternis en rose verwachtingen… televisie roept om talent’. Meningen van veertig jaar geleden. Welke zijn juist gebleken? Alles overziende waren ze veel te somber. Een gevolg misschien van onze landsaard? Zoals bij alle uitingen van publiciteit waren in de afgelopen vier decennia heel knappe, heel middelmatige en ook slechte prestaties te zien, maar onze zelfverachting zou te groot zijn als we niet zouden zeggen dat er vele het aankijken waard waren. Immers, ook Nederland beschikt over getalenteerden.

NB. de opmerking van De Groene ‘Televisie roept om talent’, geldt voor alle tijden met welke nieuwe technische vindingen ook. De eis van talent geldt evenzeer voor de geluids- als de gedrukte media.